NLP techniek: Fobiemodel


Doel: Opheffen van een ongewenste automatische reactie op een stimulus.
Proces: Neem de persoon terug in de tijd, waarin hij/zij deze reactie (voor het eerst) ervaarde. In dissociatie de submodaliteiten veranderen, waardoor emoties worden losgekoppeld van de herinnering aan deze ervaring. In associatie wordt de herinnering vrij van emoties bewaard.

Voordat je met het fobiemodel aan de slag gaat:
• Zorg voor rapport
• Check de ecologie
• Installeer eventueel een veiligheidsanker.

1. Eliciteer de strategie voor het hebben van de fobie.
– Wanneer heb je voor het laatst je fobie ervaren?
– Wat gebeurt er wanneer jouw fobie de overhand neemt?
– Hoe merk je dat je fobie er is?
– Wat zet jou fobie aan?
Kalibreer de gedragsveranderingen.

2. Creëer veiligheid door dit of een ander Milton taalpatroon:
“Onthoud dat je voor de onprettige ervaring veilig was, en dat je na de onprettige ervaring veilig bent”.

3. Dissocieer.
“Stel je voor dat je in een stoel in de bioscoop zit; je ziet op het scherm een klein zwart/wit plaatje van een veilige situatie, net voor de onprettige ervaring. Je zit in de bioscoopstoel en tegelijkertijd ook in de regieruimte aan de zijkant. Vanuit de regieruimte zie je alleen de stoelen, het scherm is verborgen. Je kijkt vanuit de regieruimte, en je ziet jezelf zitten in de bioscoopstoel en je ziet dat je vanuit de bioscoopstoel aan het kijken bent naar het zwart/wit plaatje op het scherm.”.

4. “Het plaatje van de veilige situatie voor de onprettige ervaring, is het begin van de zwart/wit film. Je ziet jezelf vanuit de regieruimte kijken naar jezelf in de bioscoopstoel kijkend naar het scherm. Laat de film beginnen, toen alles nog goed was en laat de film afspelen tot na de ervaring, wanneer je weer veilig bent, en zet daar de film stil.”.

5. Gedissosieerd associeren.
“Vanuit de regieruimte zie je hoe je vanuit de bioscoopstoel in het einde van de film stapt. Je zet nu een koddig, vrolijk, grappig, ridiculiserend muziekje op in de bioscoop. Misschien wordt je er zelf wel vrolijk van. En dan draai je met minimaal driedubbele snelheid de film terug (in een paar seconden) tot vlak voor het moment van de onprettige ervaring. Je maakt dit plaatje weer zwart/wit, en je kijkt (vanuit de regieruimte) hoe je weer uit de film stapt en in de bioscoopstoel gaat zitten.”

Herhaal stap 4 en 5 steeds sneller, totdat het gevoel er niet meer is of dat de herinnering niet meer kan worden opgeroepen. “We blijven dit herhalen net zolang tot alle emoties zijn verdwenen.”

6. Integratie.
“Je laat het beeld vervagen, en het scherm weer zwart worden, en je doet de lichten aan in de zaal. Vanuit de regieruimte integreer je in jezelf in de bioscoopstoel. Weer één geheel, sta je op, en loop je de bioscoop uit.”

7. Test en future pace.
“Zie een toekomstige situatie voor je en stel je voor dat zo´n soort situatie zich weer zou voordoen. Hoe is dat nu?”

8. Versterk eventueel de verandering door een passend Milton taalpatroon.

Je kunt het swishpatroon gebruiken voor dat wat nog over is gebleven van de fobie of de onprettige ervaring. Dat wat overblijft is het triggerbeeld. Je vraagt naar de gewenste situatie. Dan vervolg je met de stappen van het swishpatroon.

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *