Hoe gebruik je metaprogramma’s?


Metaprogramma’s uit NLP kan je gebruiken om ofwel aan te sluiten bij je toehoorder (rapport maken), ofwel om je toehoorder te wijzen op andere mogelijkheden (een ander perspectief te geven) door hetzelfde door een ander filter te presenteren, ofwel je toehoorder te beïnvloeden door (afhankelijk van de situatie en het doel) afwisselend aan te sluiten en te mismatchen.

Bijvoorbeeld een projectmanager die een projectmedewerker in zijn team krijgt, zou met het NLP metaprogramma REDENFILTER de geschiktheid van de medewerker kunnen bepalen. Stel bijvoorbeeld de vraag “Waarom kies je er voor om koffie te nemen?” of “Waarom kies je er voor om hier te solliciteren?” en je kan het metaprogramma door juist te luisteren naar het antwoord al horen.
Iemand met een voorkeur voor opties is geschikt voor projecten die minder strak omlijnt zijn (improvisatieprojecten), terwijl iemand met een noodzakelijkheid voorkeur beter tot zijn recht komt in strakomlijnde projecten (procesprojecten).
Wanneer je dan de geschiktheid hebt gecontroleerd, dan kan je de medewerker motiveren: iemand met een optievoorkeur laat je de mogelijkheden zien binnen het project (benadruk ook opties op het gebied van procesverbetering), en iemand met een noodzakelijkheid voorkeur motiveer je door het belang van het project te onderstrepen, en je geeft aan dat het belangrijk is dat het werk op de juiste manier wordt gedaan. Trouwens: demotiveren kan ook, dan doe je het gewoon omgekeerd…
Je weet ook wat je kan verwachten van de medewerker. De medewerker met een voorkeur voor opties zal geen routinewerk opleveren, zal soms alternatieven nodig hebben om verder te gaan, en kan procedures wel maken maar niet volgen. De medewerker met een voorkeur voor noodzakelijkheid kan heel goed procedures volgen maar niet maken, kan goed routinewerk uitvoeren, en zorgt daarbij dat de dingen op de juiste manier (procedureel) gedaan worden.

Of misschien een trainer, docent, leraar. Wat zal die anders gaan doen wanneer deze tot het besef komt dat er een RELATIEFILTER bestaat, en dat er dus studenten/leerlingen zijn die bij voorkeur overeenkomsten zien, en dat er studenten zijn die bij voorkeur verschillen zien. Leg eens drie munten neer voor de student/leerling, en vraag “Wat is de relatie in deze?” of stel de vraag “Wat is de relatie tussen deze school en je vorige school?”. In het antwoord kan je bij het op de juiste manier luisteren het NLP metaprogramma ontdekken.
Een student/leerling die overeenkomsten ziet, kan niet zo veel met een nagekeken paper, vol met rode strepen (verschillen met goed). Zo’n student heeft veel meer aan een groene pen die het juiste voorbeeld aangeeft. Zo’n student leert door voorbeelden te zoeken, en na te doen, van rolmodellen. Deze student leert beter door onder begeleiding het proces (goed) te doorlopen. De student leert van de dingen die goed gaan. Deze student is goed te motiveren, door de overeenkomsten te benadrukken tussen de stof en het toekomstdoel van de student. Deze student heeft behoefte aan vaste aanspreekpunten gedurende de opleiding, zoals een begeleider die continuïteit biedt en een vaste groep of klas.
Aan de andere kant, een student die verschillen ziet, wil graag een nagekeken paper, vol met rode strepen (verschillen met goed). Zo’n student kan juist minder met juiste voorbeelden en rolmodellen. Zo’n student leert door te doen, en dan uit de valkuilen te kruipen. Deze student leert beter door in het diepe gegooid te worden, en vervolgens te evalueren. De student leert van de dingen die fout gaan. Deze student is goed te motiveren, door de verschillen te benadrukken tussen de huidige kennis/vaardigheid van de student en het toekomstdoel van de student. Deze student heeft behoefte aan veel verschillende nieuwe invalshoeken en heeft daardoor een voorkeur voor meerdere (wisselende) docenten en wisselende groepen of klassen.

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *